De middeleeuwse soldaat en zijn bewapening

In een inventaris van kasteel Duurstede uit 1524 worden enkele ‘knechtharnassen’ genoemd. Uit andere inventarissen uit dezelfde periode zijn ook specifieke ‘knechtpieken’ en ander knechtwapentuig bekend. Maar wat is er zo bijzonder aan de ‘knecht’ en waarom heeft deze een eigen type wapentuig?

Een landsknecht piekenblok te zien in het National Militair Museum.

Van burger naar soldaat

Tijdens de late middeleeuwen bestonden legers vooral uit twee type soldaten: (1) de bereden edelman die volledig geharnast te paard vocht, ook wel bekent als de ridder, en (2) de boer of stedeling (burger) die werd opgeroepen voor de heervaart. De heervaart was een verplichte militaire dienst. Je kan je voorstellen dat deze laatste groep daarom niet de beste soldaten waren. Ze waren bijvoorbeeld niet goed getraind. Daarbij, tenzij het over het verdedigen van hun eigen land ging, kan je jezelf afvragen of zij een goede motivatie hadden om te vechten. Daarnaast was er nog een probleem: de heervaart mocht meestal maar 30 dagen duren. Na die tijd wilde iedereen weer naar huis, maar wat als de oorlog dan nog niet voorbij is?

Landsknechten die de stad Rhenen plunderen, Onbekend, Beleg van Rhenen 1505 - 1525, Rijksmuseum SK-A-1727.

Een oplossing voor al deze probleem werd gevonden in belasting betalen, een bede genoemd. Hier komt ons woord bedelen vandaan. Het belastinggeld van de boeren en burgers werd gebruikt om ‘professionele’ soldaten van in te huren. Voilà: de landsknechten waren geboren.

Dit proces verliep natuurlijk langzaam. Vanaf ca.1480 zien wij deze ‘professionele soldaten’ rond het hof van de toekomstige Duitse keizer Maximiliaan ontstaan. En vanaf ca.1520 worden zij alleen nog maar gebruikt om vijandelijke stellingen aan te vallen. Boeren en burgers werden nog wel ingezet als soldaten, om bijvoorbeeld schansen en aardewallen te maken tijdens belegeringen of te helpen met het verdedigen van stadsmuren. Toch werd hun inzet steeds minder belangrijk.

Knecht of landsknecht?

In de wetenschappelijke literatuur, maar ook op bijvoorbeeld YouTube worden deze professionele soldaten vaak landsknechten genoemd. In de middeleeuwse bronnen van rond 1480-1550 worden zij echter knechten, voetknechten of oorlogsknechten genoemd. Hoe zit dat?

In het Middelnederlands, de taal die in Nederland tussen ca.1150 en ca.1550 werd gesproken, betekend knecht iemand die in dienst is van iemand anders en geen familie van elkaar is. Denk bijvoorbeeld aan een bakkersknecht. Meestal is de relatie gebaseerd op betaling.

Vanuit het middeleeuwse denkbeeld omschrijft deze meester-knecht relatie precies de relatie tussen de soldaat en een heer: de heer huurde de soldaat in en ze hadden geen familierelatie. Vaak werden de soldaten omschreven als voetknecht of oorlogsknecht. Voetknecht om aan te geven dat ze niet te paard maar te voet vochten en oorlogsknecht om aan te geven dat het hier niet een bakkersknecht betrof, maar ging om een soldaat die oorlog voert.

Een tekening van het landsknecht vendel De zwarte hoop (let op de zwarte vlag in het midden), Jacob Cornelisz van Oostsanen, David and Abigail 1507-1508, SMKOpen KMSsp734.

Waar komt de term landsknecht dan vandaan, het woord dat we tegenwoordig gebruiken? Soms wordt beweerd dat deze naam te maken heeft met de lange lansen waarmee ze vochten (zie hiernaast) of omdat ze knechten van het ‘land’ waren. Maar, waarschijnlijk komt de naam ergens anders vandaan. Knechten werden in eerste instantie vooral lokaal geworven, waaronder ook veel in Nederland. Wanneer er niet genoeg soldaten geworven konden worden, werden er ook buitenlanders aangenomen. Gedurende de zestiende eeuw trokken deze landsknechttroepen steeds meer rond in Europa, waar her en der soldaten geronseld werden. Langzaam werden deze landsknecht eenheden steeds meer een bonte verzameling van mannen en vrouwen met verschillende afkomsten.

In het Middelnederlands heette een buitenlander een ‘overlander’. Deze groepen van soldaten afkomstig uit het buitenland (‘overland’) heten dan ook eerst overlandse knechten, maar nadat deze troepen uit steeds meer buitenlanders bestonden, verbasterd de naam ‘overlandse knecht’ naar landsknecht.

Het piekenblok

Als professionele soldaten hadden landsknechten een eigen manier van organiseren en vechten. Een landsknechtgroep werd een vendel genoemd, vernoemd naar een vaandel (vlag) die zij gebruikt. Een bekende groep Nederlandse landsknechten heette bijvoorbeeld ‘De Zwarte Hoop’. Zij hadden een zwart vaandel. Zo’n vendel had 100 tot 300 soldaten met een officierenkern. Deze bestond uit: een hoofdman, een vaandeldrager (vendrich), enkele sergeanten (rotmeesters), en muzikanten – een trommelaar en twee fluitisten – om het marstempo en commando’s te geven.

Landsknecht vendels vochten als een samengesteld piekenblok. Een piekenblok bestond, zoals de naam al doet vermoeden, vooral uit piekeniers, die lange pieken (speren) van soms wel meer dan 4 meter gebruikte. Tussen de piekeniers, stonden hellebaardiers opgesteld.  Zij gebruikte de hellebaard, een bijlkop met een punt en haak gemonteerd op een stok van ca. 200 cm., Iedereen die voorbij de lange pieken kwam konden zij een klap of steek verkopen. Op de flanken rondom het piekenblok liepen busschutters. Zij gebruikte vroege vuurwapens om de linies van de vijand open te schieten en hun formatie te breken.

Een landsknecht piekenblok, let op de hellebaardiers op de derde rij en busschutters op de flanken. Landesarchiv Thüringen - Hauptstaatsarchiv Weimar, Ernestinisches Gesamtarchiv, Reg. S, fol. 460.

Zo’n piekenblok was effectief om dat iedereen samenwerkte: de piekeniers hielden de vijand op afstand, de hellebaardiers beschermden de piekeniers en de busschutters zorgde ervoor dat de vijand op afstand werd aangevallen. Een piekenblok werkt dus net zoals een egel: het heeft niet veel aan één stekel, maar het moet al zijn stekels opzetten om zich te verweren.

Een landsknecht en zijn knechtpiek. De knecht valt een vrouw lastig, zoals maar te vaak gebeurde, Jheronimus Bosch, De Marskramer ca.1500, Museum Boijmans Van Beuningen 1079 (OK).

Terug naar het knechtharnas en de knechtpiek (ook wel knechtspies genoemd) die we tegenkwamen in de middeleeuwse inventarislijsten, waarmee we dit verhaal begonnen. De betekenis van een knechtpiek moge duidelijk zijn. Dat is gewoon een lange piek die door deze landknechten gebruikt werd. Maar wat zijn de specifieke knechtharnassen dan?

Tijdens de late middeleeuwen droegen voetsoldaten vaak geen beenpantser: lange stukken marcheren met ijzer om je benen is niet heel prettig. Alleen soldaten die zicht te paard vervoerde droegen beenharnasonderdelen. De benen van voetsoldaten waren dus een zwakke plek. Wanneer iemand een korter wapen had, was het missen van een beenpantser nog niet zo’n probleem: dan zette je een stap terug en sloeg je de tegenstander op zijn hoofd (voor de kenners: dit is de nachreisen techniek zoals omschreven staat in de vechtboeken). Maar wat als de tegenstander een lange piek heeft of je een in een piekenblok staat? Dan wordt het een ander verhaal. Terug stappen werkt dan niet meer.

Als oplossing werd de tasset uitgevonden. Dit zijn platen die onder de borstplaat werden gemonteerd. Deze platen kunnen los van elkaar bewegen doordat zij op een leren strook geklonken zijn. Daardoor had de knecht geen last meer van de platen met het omhoog brengen van het been tijdens het lopen. Op die manier werden twee vliegen in een klap geslagen: het beschermingsprobleem van de benen werd opgelost en er bleef genoeg mobiliteit over om te marcheren. In onze collectie hebben we diverse van deze borstplaten met tassetten. Deze kun je in onze tentoonstelling zien! Onderaan de trap in het Arsenaal staat een piekenblok waar je een tasset kunt bewonderen.

De tasset werd door piekeniers tot halverwege de zeventiende-eeuw gebruikt. Later kreeg deze steeds minder bewegende onderdelen en uiteindelijk bestond het tasset nog maar uit een enkele plaat. Het is historici nog steeds onbekend waarom. Geef mij dan maar de beweegbare tasset uit de midden zestiende-eeuw!

Casper van Dijk, conservator

Een borstplaat met tassetten. Collectie Nationaal Militair Museum, 0594060.

Het knechtharnas bestaat dus uit een borstplaat met daaronder tassetten gemonteerd. Samen met de knechtpiek is het een stukje gespecialiseerde uitrusting, ontwikkeld voor de specifieke manier van vechten in piekenblokken tijdens de zestiende-eeuw. Een knechtharnas en knechtpiek van dichtbij zien? Kom naar het Nationaal Militair Museum en bekijk de tentoonstelling in het Arsenaal.

Junior conservator Casper van Dijk
“Alleen wanneer we de militaire context van de objecten begrijpen, kunnen we bevatten waarom ze eruitzien zoals ze eruitzien en vice versa: wanneer we objecten beter begrijpen, bevatten we ook beter waarom het verleden gelopen is, zoals het gelopen is” Casper van Dijk, Conservator

Lees meer over de landsknecht in:

Baumann, R. (1994). Landsknechte. Ihre Geschichte und Kultur vom späten Mittelalter bis zum Dreißigjährigen Krieg. München, C.H. Beck.

Skjelver, D. M., Van Dijk, C. J., & Krause, S. (eds.). (2026). Paul Dolnstein and His Sketchbook: The Soldiering Experience of an Early Landsknecht, 1490–1505. Kalamazoo, MI, Medieval Institute Publications / De Gruyter Brill

Xenakis, S. (2015). Gewalt und Gemeinshaft: Kriegsknechte Um 1500. Paderborn, Ferdinand Schiningh.