Vrijwilliger Vertelt

Enigszins verborgen in het Arsenaal, weggestopt tussen de tanks en de artillerie, staat de 120-millimeter mortier. Vrijwilliger Fred Krijnen was in Libanon commandant van een mortierpeloton, dat met dit wapen werkte.

Fred Krijnen in Libanon, naast een YP-408.

Een dwarsdoorsnede van de samenleving

In 1980 moest Fred Krijnen in dienst. Het Nederlandse leger werd op dat moment ingezet in Libanon, en Krijnen wilde daar graag naartoe. “Ik wilde graag wat anders,” zegt hij daar nu over, en “je gaat toch niet anderhalf jaar op de heide zitten!” Na zijn opleiding tot officier werd hij geplaatst als commandant van een mortierpeloton. “Dat vond ik niet erg: een mortierist hoeft veel minder te lopen dan een infanterist”. Het peloton bestond uit 32 mannen en drie 120mm mortieren. Alleen de pelotonssergeant was een beroepsmilitair, de anderen waren allemaal dienstplichtigen.

Als pelotonscommandant was het de taak van Krijnen om alle verschillende mensen op één lijn te houden. “Het was een dwarsdoorsnee van de samenleving”, vertelt Krijnen. “Van gabbertjes uit Amsterdam tot jongens uit het diepe zuiden van Limburg; van hele rustige, zachte kerels tot Rambo-types”. Daarmee omgaan was een uitdaging.

Een mortier laad je door de granaat er van de bovenkant in te laten zakken.

De 120mm mortier

Een mortier is een soort buis waarmee speciale granaten worden afgeschoten. De 120mm mortier had een bereik van maximaal acht kilometer, en kon drie soorten munitie verschieten: brisantgranaten, fosforgranaten en lichtgranaten. De brisantgranaat is gemaakt om met een grote explosie zoveel mogelijk te vernietigen, en de fosforgranaat veroorzaakt brand en een grote rookwolk. De lichtgranaat gaat boven het doel open, en dan komt er een fakkel tevoorschijn die heel fel brandt. Ongeveer anderhalve minuut hangt de lichtfakkel aan een parachuutje boven het doel, zodat de militairen op de grond kunnen zien wat er in de omgeving gebeurt. De 120mm mortier weegt ongeveer 575 kg en daarom staat hij op twee wielen.

In de kop van de schietbuis kon je een speciaal koppelstuk schroeven, waarmee je de mortier aan een trekhaak kon hangen. Vaak werd de YP408 gebruikt om de 120mm mortier te verslepen. Als een mortiersectie aankwam op de plek van waar geschoten moest worden, werd de mortier losgekoppeld en verder klaargemaakt. “We schoten altijd eerst een granaat ver weg het bos in”, vertelt Krijnen, “want daardoor ging de grondplaat goed de bodem in”. Vervolgens prikte de bemanning drie stokken in de grond, op een precieze afstand van de mortier. Deze werden gebruikt om te richten: vanaf de vuurpositie kon je je doel namelijk niet zien, want dat was kilometers verderop.

Waarnemen en patrouilleren

In de jaren zeventig was het erg onrustig in Libanon. Er woedde een burgeroorlog en Israël viel het land binnen. De Verenigde Naties stuurden uiteindelijk een vredesmacht om de strijdende partijen uit elkaar te houden: UNIFIL. Vanaf 1979 deed Nederland aan de vredesmissie mee. Een Nederlands bataljon van ongeveer achthonderd militairen werd naar het zuiden van Libanon gestuurd. Verspreid over het hele gebied namen ze wachtposten in, en hun taak was waar te nemen wat er gebeurde. Fred Krijnen en zijn mortierpeloton kwamen ook op zo’n post terecht. “Overdag namen we waar en bemanden we roadblocks. ’s Nachts liepen we patrouilles door het hele gebied”, vertelt Krijnen. “Zo’n patrouille kon wel zes of zeven uur duren. Op bepaalde plekken moesten we heel stil gaan zitten om te kijken en luisteren”. De patrouilles waren bedoeld om Palestijnse strijders te onderscheppen die ’s nachts op weg waren naar Israël.

Een 120 mm mortier net na het afvuren. Wat je ziet vliegen is het staartstuk, niet de granaat.

Verzoek om lichtsteun

Het peloton van Krijnen moest niet alleen observeren en patrouilleren, ook de mortieren werden ingezet. De drie mortieren stonden in een vaste opstelling bij de post, alle drie een andere kant op gericht. “Als een Nederlandse patrouille ’s nachts iets had gehoord of gezien, dienden ze een verzoek om lichtsteun in”, vertelt Krijnen. Via de radio werd het verzoek doorgegeven en bij het mortierpeloton ging een toeter af. “Als die toeter midden in de nacht begon te loeien, rende iedereen in z’n onderbroek naar de mortieren toe”. Binnen twee minuten waren ze gereed om een lichtgranaat af te vuren. “In zes maanden tijd hebben we ongeveer zestig vuuraanvragen gekregen”. Als commandant stond Krijnen er vaak bij als er geschoten werd. “Dat maakte een klereherrie! En de stof die omhoog komt, alles trilt… Het ging door merg en been”.

Een diepe band

Krijnen herinnert het zich als een mooie maar soms ook zware tijd. “Ik heb eens uitgerekend dat we honderd uur per week waren ingeroosterd. Dat betekent dat je in totaal maar 68 uur over had om te slapen, te eten, post te schrijven, en andere dingen te doen. En op zes maanden inzet had je maar twee keer twee weken verlof”. Alcohol was verboden, en contact met Nederland was moeilijk. “Als ik wilde bellen naar Nederland”, vertelt Krijnen, “dan moest er echt nood aan de man zijn. Het kon eigenlijk gewoon niet”. De werkzaamheden op de post waren eentonig. “Eerst was het spannend, later werd het routine”, vertelt hij. Bij patrouilles was iedereen eerst heel gespannen en stil, maar later werd er stiekem toch gerookt. Ook waren er onderling soms conflicten. “Ik was met 23 jaar de oudste. We hadden als peloton drie maanden getraind, waren voor het eerst uit huis… Maar we hebben het wel gedáán”. Nog altijd ziet Krijnen veel mannen van zijn peloton regelmatig. Ze hebben een unieke band door hun gedeelde ervaringen. “Veertig jaar later moet ik sommige kerels nog uitleggen dat ik Fred heet, en geen luit!”, lacht hij.