Van oorlogsbuit tot museumobject
Oorlogsbuit. Je hoort het steeds vaker. Maar wat is het eigenlijk? Op het eerste gezicht lijkt het antwoord eenvoudig: voorwerpen die tijdens een oorlog of strijd op de vijand zijn buitgemaakt. In de praktijk ligt het ingewikkelder. Een vaandel dat op het slagveld wordt veroverd, een kunstwerk dat uit iemands huis wordt meegenomen of een kanon dat door de tegenstander wordt gebruikt, kunnen allemaal als oorlogsbuit worden bestempeld. Toch zijn deze objecten onder uiteenlopende omstandigheden verkregen en hebben daarom ook een andere betekenis.
In de collectie van het Nationaal Militair Museum bevinden zich verschillende voorbeelden van oorlogsbuit. Denk aan buitgemaakte vlaggen en wapens. Bij deze objecten wordt vaak verteld wat ze zijn en welke rol ze in een conflict speelden. Minder vaak wordt uitgelegd hoe ze zijn buitgemaakt en hoe ze uiteindelijk in de museumcollectie terecht zijn gekomen.
Herkomstonderzoek en restitutie
Juist de vragen over de herkomst van objecten krijgen binnen musea steeds meer aandacht. Bij koloniale cultuurgoederen en roofkunst uit de Tweede Wereldoorlog wordt tegenwoordig uitgebreid onderzocht hoe objecten zijn verkregen en of restitutie mogelijk of wenselijk is. Dat komt onder meer doordat veel van deze objecten onder dwang, door roof of binnen ongelijke machtsverhoudingen van eigenaar zijn veranderd.
Wanneer uit herkomstonderzoek blijkt dat een object onrechtmatig of onder dwang is verkregen, kan restitutie aan de orde zijn. Daarmee wordt bedoeld dat een object wordt teruggegeven aan de oorspronkelijke eigenaar of rechthebbende. Bij oorlogsbuit worden dit soort vragen over herkomst, eigendom en mogelijke teruggave veel minder vaak gesteld. Oorlogsbuit vormt daardoor nog altijd een soort grijs gebied binnen de museumwereld.
Dat heeft onder andere te maken met de lange geschiedenis van oorlogsbuit. Eeuwenlang werd het meenemen van voorwerpen van een verslagen vijand gezien als een normaal gevolg van oorlog. Buitgemaakte vlaggen, wapens en andere voorwerpen waren bovendien zichtbare bewijzen van een overwinning. Ze konden laten zien wie de strijd had gewonnen en werden gebruikt als symbolen van macht en prestige. Maar hoe moeten musea tegenwoordig met zulke objecten omgaan? Moeten we bij oorlogsbuit dezelfde vragen stellen als bij koloniale cultuurgoederen en roofkunst?
Deze vragen waren in 2024 aanleiding voor het symposium Honour & Discomfort: War Booty in Museum Collections in het Nationaal Militair Museum. Tijdens dit symposium kwamen verschillende Nederlandse en internationale deskundigen bijeen om over oorlogsbuit in museumcollecties te spreken. Na afloop waren vooral twee conclusies belangrijk: 1) oorlogsbuit blijkt een ingewikkeld en gevoelig onderwerp te zijn en 2) er is meer onderzoek en discussie nodig. Ook binnen het Nationaal Militair Museum krijgt het onderwerp daarom steeds meer aandacht. Maar voordat we kunnen bepalen hoe we met oorlogsbuit moeten omgaan, moeten we eerst begrijpen wat oorlogsbuit eigenlijk is en hoe het gebruik ervan door de eeuwen heen is veranderd.
Het buitmaken van voorwerpen tijdens oorlogen is geen modern verschijnsel. Het gebeurt al duizenden jaren. Een van de oudste beschrijvingen van oorlogsbuit is te vinden in de Ilias. Daaruit blijkt dat het gebruik in ieder geval al in de achtste eeuw voor Christus bestond. Buitgemaakte voorwerpen werden na een overwinning meegenomen naar de stad van de winnaar. Daar werden ze tentoongesteld als bewijs van militair succes. Ze hadden daarbij verschillende betekenissen. Ze lieten zien hoe machtig een heerser of leger was, maar konden ook worden gebruikt om de goden te bedanken voor hun hulp tijdens de strijd.
De Romeinen namen veel van deze gebruiken over en verspreidden ze verder over Europa. In de Middeleeuwen bleef het idee bestaan dat een militaire overwinning met goddelijke steun kon worden behaald, maar kreeg dit binnen het christendom een nieuwe invulling. Een overwinning kon worden gezien als een teken van Gods steun. Buitgemaakte voorwerpen werden daarom soms in kerken geplaatst, als herinnering aan de overwinning en als dank aan God.
In de vroegmoderne periode (ca. 1500-1800) nam de invloed van religie in delen van Europa langzaam af. Daardoor veranderde ook de manier waarop militaire overwinningen werden gevierd. Het tonen van oorlogsbuit draaide steeds meer om wereldlijke macht, nationale trots en persoonlijk prestige. Een bekend voorbeeld is Napoleon Bonaparte. Na zijn overwinning bij Austerlitz in 1805 liet hij buitgemaakte Oostenrijkse kanonnen omsmelten. Het brons werd gebruikt voor de Vendômezuil in Parijs. De zuil herinnerde niet alleen aan zijn militaire overwinning, maar benadrukte ook zijn positie als keizer.
Van persoonlijke buit naar bezit van de staat
Niet alleen de betekenis van oorlogsbuit veranderde. Ook de regels over wie oorlogsbuit mocht houden werden in de loop van de tijd anders. Lange tijd konden individuele soldaten buitgemaakte goederen zelf houden. Soms werden de soldaten daar zelfs voor aangemoedigd. In andere gevallen moesten zij buitgemaakte voorwerpen afstaan aan hun legerleiding en kregen zij daarvoor een beloning.
Vanaf het einde van de negentiende eeuw veranderde dit steeds meer. Internationale verdragen en afspraken gingen het meenemen van privébezit tijdens oorlogen beperken. Het uitgangspunt werd dat eigendommen van burgers zoveel mogelijk beschermd moesten worden. Individuele militairen mochten daarom niet zomaar meer goederen voor zichzelf meenemen. Oorlogsbuit werd daarmee steeds meer gezien als bezit van de staat en niet als persoonlijk bezit van de soldaat die het voorwerp had buitgemaakt.
Toch is het belangrijk om niet alle oorlogsbuit als één en dezelfde categorie te behandelen. In museumcollecties zijn grofweg drie verschillende vormen te onderscheiden: oorlogstrofeeën, plunderingen en oorlogsbuit in juridische zin. Hoewel deze categorieën soms in elkaar overlopen, verschillen de omstandigheden waaronder de objecten zijn meegenomen en de betekenis die eraan werd gegeven.
Oorlogstrofeeën
De eerste categorie bestaat uit oorlogstrofeeën. Dit zijn objecten die tijdens of direct na een gevecht op het slagveld zijn buitgemaakt. Vaak hadden deze voorwerpen op dat moment geen bijzonder hoge financiële waarde. Hun betekenis was vooral symbolisch. Denk bijvoorbeeld aan een vlag, vaandel, wapen of kanon dat als zichtbaar bewijs van een overwinning werd meegenomen. Oorlogstrofeeën zijn daadwerkelijk op of rond het slagveld buitgemaakt. Door zulke objecten te tonen konden landen, legers en machthebbers hun militaire overwinning en macht zichtbaar maken.
Een object kon tegelijkertijd ook voor de verliezende partij een grote symbolische betekenis hebben. Dat is bijvoorbeeld goed te zien bij militaire vaandels. Tijdens bepaalde militaire ceremonies wordt een bijzondere band tussen het regiment en zijn vaandel benadrukt. Het verliezen van zo’n vaandel aan de vijand kon daarom als een grote schande voor een regiment worden ervaren. De waarde van zo’n voorwerp zit niet alleen in het object zelf, maar vooral in wat het vertegenwoordigt.
Ook het daadwerkelijk veroveren van een vijandelijk vaandel had binnen de militaire cultuur een belangrijke betekenis. Door het symbool van de tegenstander letterlijk in bezit te nemen, werd diens nederlaag zichtbaar gemaakt. Dit is te vergelijken met het spel Stratego: het veroveren van de vlag staat daar symbool voor de uiteindelijke overwinning. Juist dit soort militaire tradities maakt het lastig om oorlogstrofeeën alleen vanuit formele regels te bekijken. Veel gebruiken rond buitgemaakte vaandels zijn immers ontstaan uit eeuwenoude tradities en gevoelens van eer, overwinning en verlies.
Plunderingen
De tweede vorm van oorlogsbuit bestaat uit plunderingen. Hierbij gaat het om objecten die niet tijdens de gevechten zelf zijn buitgemaakt, maar bijvoorbeeld na afloop van een strijd of tijdens een bezetting zijn meegenomen. Het gaat vaak om goederen uit privébezit, musea, kerken, paleizen of andere culturele instellingen. Plundering kon verschillende vormen aannemen. Soms namen individuele militairen voorwerpen voor zichzelf mee, bijvoorbeeld uit verlaten woningen. In andere gevallen gebeurde het meenemen van objecten in opdracht van politieke autoriteiten, legerleidingen of zelfs museale instellingen.
Het kon daarbij gaan om kostbare kunstwerken en andere objecten met een grote culturele of financiële waarde. Maar ook alledaagse voorwerpen uit woningen konden worden meegenomen. Zulke objecten hadden misschien weinig financiële of museale waarde, maar konden voor hun oorspronkelijke eigenaren juist een grote persoonlijke betekenis hebben.
Toch is er een belangrijk verschil met de eerder besproken oorlogstrofeeën. Een buitgemaakte vlag of kanon kreeg zijn bijzondere betekenis vaak juist dóór het moment waarop het werd veroverd. Bij geplunderde kunst- en cultuurgoederen bestond die waarde meestal al voordat zij werden meegenomen. Ze konden al een grote financiële, culturele, religieuze of persoonlijke betekenis hebben voor het land, de gemeenschap of de eigenaar van wie ze afkomstig waren.
Oorlogsbuit in juridische zin
De derde categorie kan worden omschreven als oorlogsbuit in juridische zin. Hierbij gaat het voornamelijk om goederen van een vijandelijke krijgsmacht die tijdens een conflict worden buitgemaakt. Denk bijvoorbeeld aan wapens, munitie, voertuigen, voorraden en ander militair materieel. In tegenstelling tot plundering kan het buitmaken van vijandelijk militair materieel onder bepaalde omstandigheden juridisch zijn toegestaan. Het belangrijkste verschil is het doel waarvoor het object wordt meegenomen. Het gaat hier niet in de eerste plaats om een persoonlijk aandenken of een waardevol kunstvoorwerp, maar om materiaal dat een militaire functie heeft of kan krijgen.
Een leger kan bijvoorbeeld een vijandelijk voertuig, geschutstuk of voorraad buitmaken en vervolgens zelf gebruiken. Ook kan het materiaal worden onderzocht om meer te weten te komen over de wapens en technieken van de tegenstander. In internationale verdragen en afspraken is vastgelegd dat buitgemaakt materieel na afloop van de strijd of oorlog moet worden teruggegeven. In de praktijk gebeurde dat echter niet altijd. Een deel keerde terug naar het land van herkomst, terwijl andere objecten in handen van de voormalige tegenstander bleven. Sommige van deze voorwerpen kwamen uiteindelijk terecht in museumcollecties.
Onderzoek naar oorlogsbuit
Oorlogsbuit is dus geen eenduidig begrip. Achter objecten die op het eerste gezicht allemaal als ‘buitgemaakt’ kunnen worden omschreven, kunnen heel verschillende geschiedenissen schuilgaan. Een vaandel dat tijdens een veldslag werd veroverd, een kunstwerk dat uit iemands huis werd meegenomen en een vijandelijk kanon dat voor militair gebruik werd buitgemaakt, zijn niet op dezelfde manier verkregen en kunnen daarom ook niet op dezelfde manier worden beoordeeld. Juist voor musea is het belangrijk om deze verschillen zichtbaar te maken.
In de praktijk is dat niet altijd even makkelijk. Juridische regels, militaire tradities, historische omstandigheden en morele opvattingen lopen regelmatig door elkaar heen. Bovendien is van veel objecten nog onvoldoende bekend over de manier waarop zij precies zijn buitgemaakt en hoe zij in een museumcollectie terecht zijn gekomen. Daarom is herkomstonderzoek naar oorlogsbuit nodig. Ook zal de discussie over de omgang met deze objecten binnen musea en de samenleving verder moeten worden gevoerd. Welke betekenis geven we tegenwoordig aan oorlogsbuit, welke verantwoordelijkheid hebben musea voor deze objecten en wanneer is teruggave of een andere vorm van erkenning passend?
Op veel vragen rondom oorlogsbuit bestaat nog geen eenduidig antwoord. Juist daarom is het belangrijk om het onderzoek voort te zetten en het gesprek over de omgang met oorlogsbuit te blijven voeren. Anouk Muijsert, conservator
Literatuur
W.L. Plink, ’s Konings Vaandel: de vaandels en standaarden van de krijgsmacht van het Koninkrijk der Nederlanden (2017), 41.
Ewald Vanvugt, De schatten van Lombok: honderd jaar Nederlandse oorlogsbuit uit Indonesië (Schilt Publishing, 1995), 168.
Bruno Miranda Zétola, ‘War Trophies and Diplomatic Relations’, in: International Relations and Heritage Patchwork in Times of Plurality, onder redactie van Rodrigo Christofoletti en Maria Leonor Botelho (Springer Nature, 2021), 288–290.
William Gerald Downey Jr., ‘Captured Enemy Property: Booty of War and Seized Enemy Property’, The American Journal of International Law 44, nr. 3 (1950), 490–491.